Lees het onderstaande artikel over het opstellen van enquêtes goed door.

  • Een goede voorbereiding van je enquête zorgt ervoor dat je de antwoorden krijgt waar je naar op zoek bent. Als je een enquête niet goed voorbereidt loop je het risico dat je antwoorden krijgt die je niet kunt verwerken, dat je vragen stelt die niet interessant zijn of dat je niet de antwoorden krijgt die je zoekt.

  • Bepaal het doel van je enquête. Ga goed na wat je precies wilt bereiken. Het doel van je enquête kun je het best omschrijven aan de hand van onderzoeksvragen. Deze onderzoeksvragen kunnen verbonden zijn aan verschillende deelvragen.

    Bijvoorbeeld:

    Je krijgt de opdracht om een nieuwe attractie te ontwerpen voor in een pretpark. Het type attractie mag je zelf bedenken. Omdat je een beeld wilt krijgen van de eisen en wensen van toekomstige gebruikers van de attractie doe je een onderzoek onder (mogelijke) gebruikers van je nieuwe attractie. 
    Je begint met het opstellen van één hoofdvraag waarna je verschillende deelvragen stelt zodat je antwoord krijgt, of een antwoord kunt bedenken bij je hoofdvraag.

    Hoofdvraag: Aan welke eisen moet onze attractie voldoen om veel bezoekers te trekken?

    Deelvragen:

      1. Wat is de leeftijd van de ondervraagde? Je kunt door deze deelvraag kijken of er verschil is tussen oudere en jongere invullers.
      2. Wat is de gezinssamenstelling van de ondervraagde?
      3. Wat is de rol van de ondervraagde binnen het gezin?
      4. Wat is het geslacht van de ondervraagde?
      5. Hoe vaak (per jaar) komt de ondervraagde in een pretpark?
      6. Wat is de aanleiding voor een pretpark bezoek?
      7. Waarom gaat de ondervraagde naar pretparken?
      8. Wie bepaalt of er een bezoek aan een pretpark komt?
      9. Welk type attractie vindt de ondervraagde het leukst?
      10. Welke elementen maken een attractie leuk?
      11. etc......
  • Maak een tijdsplanning voor het uitvoeren van je enquête en de verwerking van je resultaten. Het maken, afnemen en analyseren van enquêtes kost namelijk veel tijd. Maak een duidelijke tabel waarin je de planning weergeeft en laat zien wie verantwoordelijk is voor de afzonderlijke onderdelen.
  • Maak vragen die je deelvragen beantwoorden. Dit zijn nog niet de vragen die uiteindelijk in je enquête komen! 
    Wanneer alle deelvragen beantwoord zijn moet je in staat zijn om aan de hand van je enquêteresultaten een antwoord op de hoofdvraag te bedenken. Dit moet je natuurlijk kunnen bewijzen door een duidelijk overzicht te maken van je resultaten. Lees paragraaf 2 over het maken van goede enquêtevragen.
  • Nummer de vragen die je in paragraaf 1.3 gemaakt hebt. Hierbij maak je een volgorde van de belangrijkste vraag naar de minst belangrijke vraag. Soms maken mensen de enquête niet af. Wanneer je de belangrijkste vragen vooraan hebt staan heb je deze resultaten in ieder geval. De volgorde die je nu maakt bepaalt dus voor een deel de volgorde van vraagstelling in je enquête. 

  • Maak opnieuw een volgorde, nu vraag je alleen een testpersoon om de volgorde te maken. De volgorde wordt gemaakt van de meest interessante vraag naar de minst interessante vraag. Wanneer je interessante vragen stelt houd je de ondervraagde langer bij je onderzoek. De ondervraagde krijgt immers lol in het invullen.

  • Bepaal hoe lang het invullen van je enquête maximaal mag duren. De ondervraagde zit namelijk helemaal niet te wachten op je onderzoek. Hoe korter het invullen duurt hoe groter de kans dat de ondervraagde het onderzoek afmaakt. Een goede enquête duurt eerder 10 minuten dan 20 minuten.

  • Deel de vragen van paragraaf 1.3 op in categorieën. Dit helpt je om straks een betere analyse te maken. Je kunt denken aan de categorie 'gezin' of bijvoorbeeld 'reden pretparkbezoek'. Er kunnen meerdere vragen onder één categorie vallen.

  • Geef de ondervraagde de mogelijkheid om opmerkingen te maken. Dit levert soms verrassende resultaten op.
  • Het maken van goede vragen is lastig, zeker als je dezelfde vraag aan heel veel verschillende mensen gaat stellen. Een open vraag krijgt zoveel verschillende antwoorden als dat er mensen zijn en een meerkeuze vraag geeft geen ruimte voor een toelichting. Het maken van vragen die ook nog eens goed te verwerken zijn is daarom lastig. 

  • Er zijn een aantal belangrijke eisen die gesteld worden aan de vragen in een enquête  Als je aan deze eisen voldoet is de kans veel groter dat je de gewenste resultaten krijgt.

    §2.1.1 Dure woorden.

    Probeer zo weinig mogelijk dure woorden te gebruiken. Je kunt bijvoorbeeld de persoon die je enquête invult'respondent' noemen maar je kunt ook gewoon het woord 'ondervraagde' gebruiken. 
    Gebruik ook zo weinig mogelijk onduidelijke woorden waar mensen een eigen invulling aan kunnen geven. Woorden als innovatief, dynamisch en excessief zijn vaag en zorgen voor onduidelijke vragen. Onduidelijke vragen leiden weer tot onduidelijke antwoorden.
    Als je moeilijke woorden moet gebruiken omdat het bijvoorbeeld gaat om technische termen, geef dan een korte omschrijving bij het woord.

    §2.1.2 Dubbele ontkenningen.

    Gebruik geen dubbele ontkenningen in je vragen. Een voorbeeld van een dubbele ontkenning is: 
    "die auto ziet er niet onaardig uit"
    Zowel 'niet' als 'on' zijn ontkenningen. Een dubbele ontkenning kun je tegen elkaar wegstrepen dus er staat eigenlijk: 
    "die auto ziet er aardig uit"
    Dubbele ontkenningen zijn verwarrend, gebruik ze daarom niet.

     §2.1.3 Geen of weinig open vragen.

    Gebruik zo weinig mogelijk open vragen, het liefste zelfs helemaal geen! Open vragen zijn verschrikkelijk lastig om te verwerken tot een duidelijke conclusie omdat er oneindig veel antwoorden mogelijk zijn. Daardoor kost het verwerken van open vragen meteen ook verschrikkelijk veel tijd.

    De invuller van je enquête hebben meestal ook geen tijd voor je enquête  daardoor hebben ze geen zin om veel te schrijven! Hoe minder schrijfwerk hoe groter de kans dat de invuller de hele enquête af maakt.

    §2.1.4 Eén vraag tegelijk.

    Wees duidelijk in je vraagstelling en stel maar één vraag tegelijk. Anders is de kans groot dat je maar op één vraag antwoord krijgt.

     §2.1.5 Wees neutraal. 

    Probeer vragen te stellen die geen emotie oproepen of die al een mening weergeven. Een vraag als: "vindt u de nieuwste volkswagen ook mooi" geeft al een mening weer. Voorkom dit, stel liever de vraag wat de invuller van het uiterlijk van de nieuwe volkswagen vindt. Geef ook altijd een escape mogelijkheid. Hiermee wordt de optie "geen mening" of "niet van toepassing"  bedoeld. Het kan namelijk zo zijn dat de invuller de vraag niet kan beantwoorden. 

     §2.1.6 Van breed naar smal. 

    Stel eerst algemene vragen en vragen naar bijvoorbeeld afkomst, leeftijd etc en werk naar het specifieke toe. In het voorbeeld van de pretparkattractie praat je over een volgorde: 
    Gegevens invuller --> pretpark algemeen --> leukste attractie --> leuke onderdelen aan attractie.

    §2.1.7 Computers zijn handig. 

    Let er goed op dat je vragen goed te verwerken zijn met een computer en het liefst met Microsoft Excel. Wanneer de vragen goed te verwerken zijn is het maken van duidelijke grafieken en tabellen een simpel klusje.

    §2.1.8 Een duidelijk verhaal. 

    Zorg er voor dat de ondervraagden duidelijk is waar de enquête over gaat en waar je naar toe wilt met de vragen. Maak ook duidelijk waarom je de enquête afneemt en wie jullie zijn.

    §2.1.9 Dat gaat je niets aan! 

    Van sommige vragen vinden de invullers dat het je niets aan gaat. Houd er daarom rekening mee dat je niet op iedere vraag antwoord zult krijgen.

  • Het maken van goede meerkeuzevragen vraagt om flink wat nadenkwerk. Als je de meerkeuzevragen goed maakt wordt het analyseren van je gegevens een fluitje van een cent!

    §2.2.1 blijf neutraal!

    Als je een meerkeuze vraag maakt blijf dan altijd neutraal. Dat wil zeggen dat de invuller geen waardeoordeel van jou kan vinden in een vraag. Dit doe je door altijd even veel positieve als negatieve antwoord mogelijkheden te geven:

    Wat vindt u van het gebruikersgemak van de radio in de nieuwe Volkswagen?
    0 zeer gebruikersvriendelijk
    0 gebruikersvriendelijk
    0 neutraal
    0 niet zo gebruikersvriendelijk
    0 helemaal niet gebruikersvriendelijk

    §2.2.2 Als je geen neutrale antwoorden wilt.

    Als je hoe dan ook wilt dat de invuller zich uitspreekt kan het soms handig zijn om de 'neutraal' optie weg te laten. Hierdoor wordt de invuller gedwongen een mening uit te spreken.

    §2.2.3 Maak antwoordgroepen. 
    Bij heel veel antwoorden is het niet interessant om een exact antwoord te hebben op een vraag maar zijn antwoordgroepen duidelijk genoeg. Als je vraagt naar de afstand tot een bepaalde locatie kun je oneindig veel verschillende antwoorden krijgen. Je krijgt namelijk niet alleen antwoorden van 1, 2, 3, 4 of 5 kilometer, maar 2,5 kilometer valt ook onder de mogelijke antwoorden. Wanneer je zoals in het komende voorbeeld de antwoorden indeelt in groepen krijg je beter te verwerken antwoorden.

    voorbeeld:
    "Hoe ver woont u van het Mondial College af?"
    0 minder dan 2 kilometer
    0 tussen de 2 en 4 kilometer
    0 tussen de 4 en 6 kilometer
    0 tussen de 6 en 8 kilometer
    0 meer dan 8 kilometer

    Wanneer je vraagt naar leeftijden kom je in een vergelijkbare situatie terecht. Als we het voorbeeld van de attractie in het pretpark er weer eens bij halen is de exacte leeftijd helemaal niet zo interessant. Wat veel interessanter is om te weten is de levensfase waar de ondervraagde in zit. De levensfasen kun je opdelen in: onderbouw basisschool (4 tot 8 jaar), bovenbouw basisschool (8 tot 12 jaar), onderbouw middelbare school (12 tot 15 jaar), bovenbouw middelbare school (15 tot 18 jaar), adolescenten (18 tot 23 jaar), volwassenen (23 tot 30 jaar), volwassenen (30 tot 50 jaar), 50 plussers (50 tot 65 jaar), senioren (ouder dan 65 jaar). Een vraag naar leeftijd kan er dan als volgt uit zien:

    "In welke leeftijdsgroep valt u?"
    0 4 tot 8 jaar
    0 8 tot 12 jaar
    0 12 tot 15 jaar
    0 15 tot 18 jaar
    0 18 tot 23 jaar
    0 23 tot 30 jaar
    0 30 tot 50 jaar
    0 50 tot 65 jaar
    0 ouder dan 65 jaar

    of:

    "In welke leeftijdscategorieën heeft u kinderen?"
    0 4 tot 8 jaar               aantal:_______
    0 8 tot 12 jaar
                 aantal:_______
    0 12 tot 15 jaar
               aantal:_______
    0 15 tot 18 jaar
               aantal:_______
    0 18 tot 23 jaar
               aantal:_______
    0 23 tot 30 jaar
               aantal:_______
    0 30 tot 50 jaar
               aantal:_______
    0 50 tot 65 jaar
               aantal:_______
    0 ouder dan 65 jaar
         aantal:_______

    Een vraag naar de gevolgde opleiding is meestal ook niet heel interessant om het antwoord op te hebben. Wanneer je vraagt naar het hoogst gevolgde opleidingsniveau en vervolgens naar een studierichting dan weet je meestal al genoeg.

    "wat is uw hoogst genoten opleiding?'
    0 basisschool
    0 middelbare school
    0 MBO (middelbaar beroepsonderwijs)
    0 HBO (hoger beroepsonderwijs)
    0 WO (wetenschappelijk onderwijs / universiteit)
    0 WO+ (gepromoveerd)

    Bij waarderingsvragen, dit zijn vragen waarbij je de invuller vraagt zich uit te spreken over bijvoorbeeld hoe mooi hij een product vindt of hoe tevreden de invuller is over een dienst, kan het handig zijn om een gewone 1 t/m 10 schaal te gebruiken. Dit werkt hetzelfde als je rapportcijfers, een 1 is heel slecht of negatief en een 10 is heel goed of positief.

    §2.2.4 Hoeveel antwoorden?

    Hoe meer antwoord mogelijkheden je de invullers geeft des te nauwkeuriger worden je gegevens. Houd er wel rekening mee dat het invullen van de enquête dan meer tijd kost en de invuller eerder geneigd is om de enquête af te raffelen of af te breken. Geef dus alleen veel keuze-opties als het echt nodig is!

  • Een enquête mag natuurlijk geen fouten bevatten want dan krijg je vanzelf ook fouten in je resultaten. Daarom moet je een nauwkeurige controle uitvoeren! Hier volgen een aantal tips hoe je dit kunt doen:

      1. Probeer je enquête eerst uit op een paar klasgenoten.
      2. Ga na of je klasgenoten de vraagstelling duidelijk vonden, daarmee wordt bedoeld dat de klasgenoten de vragen begrepen.
      3. Vraag je klasgenoten om de enquête hardop te maken waarbij ze uitspreken wat ze denken.
      4. Controleer je enquête nauwkeurig op taal en spelfouten. Kijk ook goed naar punten en komma's! Een enquête die taalfouten bevat komt onprofessioneel over.
      5. Vraag 5 klasgenoten om de enquête in te vullen en bepaal de gemiddelde invultijd. Dit geeft je een idee van de te besteden tijd bij het afnemen van de enquête
  • Een groot risico bij het afnemen van enquêtes is dat de invullers een negatief gevoel krijgen bij de enquête  Dit kan komen door bijvoorbeeld de vraagstelling, de lay-out of doordat het invullen te veel tijd kost. Daarom krijg je een paar adviezen om een zo gebruikersvriendelijk mogelijke enquête te maken. 

    1. Zorg dat er geen taal- en spelfouten in je enquête zitten. Kijk ook goed naar punten en komma's! Een enquête die taalfouten bevat komt onprofessioneel over.
    2. Maak een overzichtelijke lay-out.
    3. Wissel af in de manier van vraagstelling. Wissel meerkeuze bijvoorbeeld af met bolletjeslijsten:

      voorbeeld:
      "Hoe ver woont u van het Mondial College af?"
      0 minder dan 2 kilometer
      0 tussen de 2 en 4 kilometer
      0 tussen de 4 en 6 kilometer
      0 tussen de 6 en 8 kilometer
      0 meer dan 8 kilometer

      "hoe belangrijk vindt u de volgende onderdelen bij een pretparkattractie?"
                              helemaal niet belangrijk \ niet belangrijk \ neutraal \ belangrijk \ heel belangrijk
      snelheid                              0                            0                 0               0                  0
      een verhaal                         0                            0                 0               0                  0
      scherpe bochten                 0                            0                 0               0                  0

    4. Maak gebruik van kleur en afbeeldingen om de invullers een positief gevoel te geven bij de enquête en om de vragenlijst te verduidelijken.
  • Je bent na het maken van de enquête klaar om de enquête af te nemen. Laat wel altijd je enquête controleren door je docent! Lees het artikel "Enquêtes analyseren" om te leren hoe je de enquêteresultaten goed kunt verwerken.

Creative Commons-Licentie
Dit werk van Science-web.nl valt onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal-licentie.

Kopiëren en/of verspreiden van deze informatie, in welke vorm dan ook, is alleen toegestaan indien u voldoet aan de licentievoorwaarden, tenzij nadrukkelijk, schriftelijk, anders is overeengekomen. 
Een link naar dit artikel wordt door ons wel zeer gewaardeerd.