NAVIGEER SNEL:

Kaft
Inleiding
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Aanleiding en relevantie 
Hoofdstuk 2: Doelstelling in de opdracht
Hoofdstuk 3: Theoretische verdieping
Hoofdstuk 4: Werkmethoden
Hoofdstuk 5: Resultaten en conclusies
Hoofdstuk 6: Evaluatie en discussie
Hoofdstuk 7: Logboek
Hoofdstuk 8: Bijlagen
Nog even dit........ Afbeeldingen
Nog even dit........ Hoe vermeld je bronnen?


 

ALGEMEEN:
Aan het begin van dit project, toen jullie de opdracht kregen hebben jullie een Plan van Aanpak gemaakt. Nu je aan het eind van de opdracht gekomen bent rond je het project af met met een eindverslag. In dit eindverslag maken jullie duidelijk wat je allemaal gedaan en geproduceerd hebt. 
Lees dit voorschrift heel erg nauwkeurig! Misschien kom je hoofdstukken tegen waarvan je denkt dat je wel weet wat er bedoeld wordt. 
Ga niet af op alleen titels maar lees het voorschrift heel goed. De beoordeling van je eindverslag is namelijk gekoppeld aan dit voorschrift.

 


 

DE NITWIT-REGEL

Een nitwit is een persoon die niets weet. De nitwit-regel zegt iets over de stijl waarin je dit verslag schrijft en over hoe duidelijk je moet zijn. Je schrijft een eindverslag op een dusdanige manier dat iemand die niets weet van jullie opdracht, na het lezen van jullie eindverslag precies weet wat jullie gaan doen, hoe en waarom. 

Ga er niet van uit dat de lezer van het eindverslag iets weet over jullie opdracht. De lezer weet niets en is dus een NITWIT! 

 


KAFT
[aangepaste kopie van PVA; zelfde als N2]

De kaft van je eindverslag moet voorzien zijn van de titel van je verslag, je (jullie) naam (namen), de klas en de inleverdatum. Een zakelijke kaft is natuurlijk voorzien van voornamen en achternamen. 

Maar hoe maak je een goede kaft?
Het belangrijkste aan een kaft is dat hij moet uitnodigen tot het lezen van je verslag. Natuurlijk moet de kaft een idee geven van waar het verslag over gaat. Tijdens het maken van de kaft heb je misschien de neiging om heel veel plaatjes te gebruiken, en het liefst grappige plaatjes! Dit is op zich niet fout maar zakelijk is het zeker niet. De kaft moet vooral zakelijk zijn, hiermee wordt bedoeld dat er alleen noodzakelijke informatie op staat en dat afbeeldingen ook echt iets met de opdracht te maken hebben.

Je maakt een zakelijke kaft door één of twee afbeeldingen te gebruiken. Kies een hoofdafbeelding die een hoge resolutie heeft. Met een hoge resolutie wordt bedoeld dat de kwaliteit zo is dat je geen pixels ziet.

 
De linker zijde is extreem pixelig, de rechter zijde is van goede kwaliteit.

Deze hoofdafbeelding plaats je groot op je kaft zodat deze duidelijk een hoofdrol heeft op de kaft. Deze hoofdafbeelding moet natuurlijk wel direct iets te maken hebben met het onderwerp van je opdracht. 
De tweede afbeelding kan een logo zijn van je school of bijvoorbeeld je opdrachtgever. Ook voor deze afbeelding geldt dat hij van voldoende kwaliteit moet zijn.

De titel op de kaft moet duidelijk aanwezig zijn. Kies voor een zo groot mogelijke lettergrootte. Probeer te voorkomen dat de titel over meerdere regels heen loopt.

Voor de overige informatie zoals namen, groep, klas, inleverdatum etc geldt dat deze puur informatief zijn. Het moet te vinden zijn op de kaft maar het hoeft er echt niet uit te knallen! Plaats deze tekst, onopvallend, op je kaft. je kunt dit doen door de tekst voor de afbeelding te zetten. Als je een donkere afbeelding hebt, maak de tekst dan wit. Heb je een lichte afbeelding, gebruik dan gewoon de zwarte tekstkleur.

Hieronder zie je een aantal voorbeelden van erg goede kaften gemaakt door Jeppe Groen.

      

De achterkant van de kaft laat je wit. Je start een nieuw onderdeel van een verslag namelijk altijd op een rechter pagina.

 


INLEIDING
[kopie van PVA; zelfde als N2]

De inleiding van je eindverslag heeft als doel dat de lezer ten eerste weet waar het verslag over gaat en ten tweede moet de lezer nieuwsgierig gemaakt worden. Wanneer een lezer jullie inleiding leest moet hij zo nieuwsgierig geworden zijn dat hij direct verder wil lezen. Het is niet nodig om jezelf voor te stellen of om uit te leggen in welke klas je zit. Blijf bij je opdracht.
Je kunt iemand nieuwsgierig maken door een probleem te schetsen en vervolgens een vraag bij de lezer neer te leggen. Kijk maar eens naar het volgende voorbeeld.

Als het mis gaat gaat natuurlijk alles mis. De wekker heb je niet gehoord, je fietsband is lek en nu heb je ook nog net de trein gemist. En daar sta je dan, in het donker te wachten op het perron van station Heijendaal. Terwijl de wind en de regen aanvoelen als duizenden koude spelden die in je huid prikken zie je in een donker hoekje wat jongens staan die iets uitwisselen..... ik heb niets gezien..... IK WIL HIER WEG!

Wij hebben van Dhr Peters van Prorail de opdracht gekregen om het station Heijendaal grondig aan te pakken en hier een prettig en veilig station van te maken. Welke aanpassingen kan u hiervoor bedenken?

Aangezien de inleiding veel vertelt over de inhoud van het eindverslag, is het raadzaam om dit onderdeel als allerlaatste item te schrijven.

 


INHOUDSOPGAVE
[aangepaste kopie van PVA]

Maak een duidelijke en overzichtelijke inhoudsopgave van je verslag met paginanummers. 
Nummer ook de hoofdstukken en verdeel die weer in verschillende paragrafen. Start een nieuw hoofdstuk altijd bovenaan een rechter pagina.
Wanneer je gebruik maakt van de standaard lettertypen in word dan kun je word een inhoudsopgave laten maken. Dit scheelt veel tijd en je weet zeker dat er geen fouten zitten in je inhoudsopgave. Het voordeel is ook meteen dan je heel gemakkelijk en snel kunt navigeren door je document.

Weet jij hoe je in Microsoft Word snel en eenvoudig een inhoudssopgave kunt laten maken? Bekijk deze video voor een uitleg.

 


Praten om het praten!!
Het lijkt een standaard regel, als je maar veel tekst hebt dan is het vast goed! Bij het schrijven van een eindverslag gaat het juist niet om de gigantische lappen tekst. Omschrijf de onderdelen kort en bondig, maar wel rekening houdend met de NITWIT regel.


HOOFDSTUK 1: Aanleiding en relevantie 
[aangepaste kopie PVA]

Veel van de benodigde informatie voor dit hoofdstuk heb je al geschreven voor het Plan van Aanpak. Gebruik deze informatie gewoon! 

Dit hoofdstuk moet een omschrijving bevatten van de reden voor de opdracht. De vraag die beantwoord moet zijn in dit onderdeel is:
“Waar komt de opdracht vandaan en waarom voeren we deze opdracht uit?”
De doelstelling van het onderzoek of de doelstelling van de opdracht bestaat uit twee onderdelen, namelijk de verlegenheidsituatie en de praktijkrelevantie. Dit lijken moeilijke woorden maar zo heten deze onderdelen nou eenmaal. We zullen natuurlijk uitleggen wat dit allemaal inhoudt.

§ 1.1: Waar komt de opdracht vandaan?

Bij dit onderdeel wordt heel duidelijk gemaakt waar de opdracht vandaan komt. Hiermee omschrijf je niet alleen de opdrachtgever maar je legt juist nadruk op het ontstaan van de opdracht. De opdracht kan komen van een probleem met bestaande apparaten of bijvoorbeeld een gezondheidsprobleem. Het is niet voldoende om alleen te zeggen “dat iets nu niet werkt”. Duidelijk moet zijn wat er precies niet werkt, hoe erg het is, hoe vaak het zich voordoet, uit welke situaties/aspecten blijkt dat “het niet werkt”? Ook moet het duidelijk zijn voor wie het een probleem is dat het niet werkt/wie het betreft, waarom het een probleem is dat het niet werkt, wanneer het niet werkt? Etc. Des te meer je ingaat op details, concreet bent, en voorziet in voorbeelden, des te kleiner het risico dat je fouten maakt bij de uitvoering van je daadwerkelijke opdracht.

§1.2: Het belang van de opdracht

In deze paragraaf geef je antwoord op de vraag:
“Wie zou wat met de resultaten van de opdracht moeten kunnen?” 

Tijdens het schrijven van het PVA heb je het algemeen nut van de opdracht omschreven. Dit algemeen nut ga je nu iets herschrijven zodat duidelijk wordt wie de belanghebbenden zijn maar dat het vooral ook heel erg duidelijk is wat de belanghebbenden met de verkregen uitkomsten van jullie opdracht kunnen. Ben zo duidelijk mogelijk!

§1.3 De verkregen uitkomst

Geef hier een korte omschrijving van jullie verkregen uitkomst. Leg dit naast de verwachtte uitkomst van het PVA en leg uit waar een eventueel verschil vandaan komt.

 


HOOFDSTUK 2: wat hebben we gedaan tijdens de opdracht
[aangepaste kopie PVA; zelfde als N2]

Dit hoofdstuk heb je al geschreven voor het Plan van Aanpak. Kopieer dit hoofdstuk gewoon. Let op dat de werkwijze niet in dit hoofdstuk staat. Je hebt dus nog maar 4 w's over! Wel verwerk je je opmerkingen van je begeleider en verbeter je eventuele fouten. Zet de tekst in voltooid verleden tijd, pas de informatie aan waar nodig, voeg één extra paragraaf toe en klaar is Kees.

De extra paragraaf is paragraaf 2.1 hier geef je nu een lijst van alle deelopdrachten (dus ook de zelf bedachte deelopdrachten).

Vanaf paragraaf 2.2 ga je in dit hoofdstuk omschrijven wat je allemaal gedaan hebt om tot een goed eindresultaat te komen. Geef een omschrijving van de verschillende deelopdrachten aan de hand van de volgende 4 W’s.

  • Wat: Geef de titel van de deelopdracht en noteer wat de opdrachtgever verwachtte als product bij deze deelopdracht.
  • Waarom: omschrijf wat het nut wass van deze deelopdracht. Een deelopdracht is altijd een opstapje naar de eindopdracht.
  • Wie: wie hebben deze deelopdracht gemaakt en wie hebben het resultaat gecontroleerd?
  • Wanneer: In welke periode, van wanneer tot wanneer hebben jullie gewerkt aan deze deelopdracht?

Dit hoofdstuk deel je op in sub-paragrafen. In paragraaf 2.2.1 beschrijf je deelopdracht 1. In paragraaf 2.2.2 beschrijf je deelopdracht 2... en in paragraaf 2.2.3 beschrijf je natuurlijk deelopdracht 3.

Je kunt hier natuurlijk heel goed gebruik maken van de verschillende koppen in Word! Heb je geen idee waar dit over gaat... die koppen.... wen jezelf dan aan om ook de video's bij de handleidingen te kijken. Deze video staat namelijk bij de inhoudsopgave.

LETOP!  Soms moet je zelf deelopdrachten verzinnen. Het maken van dit eindverslag staat meestal niet tussen de deelopdrachten. Je mag altijd deelopdrachten erbij verzinnen.

 


HOOFDSTUK 3: THEORETISCHE VERDIEPING
[kopie van PVA]

Een groot gedeelte van dit hoofdstuk heb je bij je PVA al gemaakt. Verwerk het commentaar van je begeleider. Het werkt natuurlijk in je voordeel als je bij je eindverslag meer bronnen hebt dan bij je PVA. 
 Goede bronnen zijn bijvoorbeeld boeken, tijdschriften, kranten en internetsites.

ALGEMENE INFORMATIE

tijdens het schrijven van het PVA op niveau 1 of 2 was je eigenlijk niet bezig om gericht te zoeken naar literatuurbronnen. Dit is vanaf niveau 3 anders. Je team gaat eerst nadenken over wat jullie graag willen weten voordat je daadwerkelijk aan de opdracht begint. Stel daarom zoveel mogelijk vragen op waar je een antwoord op wilt krijgen in de literatuur. De vragen moeten duidelijk relevant zijn voor de opdracht.

§3.1: LITERATUURVRAGENBOEK bijlagen kaft 2014 2015

Noteer vragen waarop je door middel van een literatuurverkenning antwoord op wilt hebben. Heb je geen idee welke vragen je moet stellen? Dat snappen we best! Maak met je team een "ik weet het niet" lijst. Dan weet je zo in welke onderwerpen jullie team zich moet verdiepen. Het aantal vragen dat je minimaal moet stellen wordt vastgesteld door je begeleider.

  1. … 

§3.2 LITERATUURVERKENNING

Per bron maak je een korte samenvatting van ongeveer ½ A4 per bron. Deze bron moet duidelijk een antwoord formuleren op een van de vragen die je gesteld hebt in §3.1. Geef zeer duidelijk aan welke vraag je beantwoordt en zorg er voor dat het antwoord duidelijk naar voren komt.
De beste samenvatting maak je door tijdens het lezen van het artikel aantekeningen te maken van maximaal 4 woorden per aantekening. Vervolgens leg je de bron weg en schrijf je een lopend verhaal waarin al je aantekeningen terug komen. Op deze manier voorkom je letterlijk overschrijfwerk. De beschreven bronnen moeten bij de opdracht aansluiten en van goede kwaliteit zijn.


Werk de bron als volgt uit:

§3.2.1 Titel: bedenk een titel voor je bron
URL/ISBN: geef hier een zo volledig mogelijke titel van de bron. Vooral bij internetsites is dit heel belangrijk. Een vermelding als 'www.wikipedia.nl' is niet voldoende. Geef aan op welk deel van die sites je de informatie hebt gevonden. 
Google is een zoekmachine en kan dus nooit als bron opgevoerd worden!
Geraadpleegd door: jouw naam
Literatuurvraag 1: noteer de eerste literatuurvraag
Samenvatting: hierboven kun je lezen hoe je dat moet doen
Concreet antwoord op de vraag: noteer hier kort en bondig het antwoord op de vraag, begin met het herhalen van de vraag.

Bijvoorbeeld:

§3.2.2 Bladeren in de herfst
URL/ISBN: http://science-web.nl/onderzoek-verslagen-en-enquetes
Literatuurvraag 2: waarom vallen bladeren van de bomen in de herfst?
Geraadpleegd door: Joris van Elferen
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.
Concreet antwoord op de vraag: Bladeren vallen in de herfst van de bomen doordat de sapstroom stopt.

§3.2.3 Groene blaadjes
URL/ISBN: http://science-web.nl/onderzoek-verslagen-en-enquetes
Literatuurvraag 3: waarom zijn boombladeren groen?
Geraadpleegd door: Joris van Elferen
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.
Concreet antwoord op de vraag: noteer hier kort en bondig het antwoord op de vraag, begin met het herhalen van de vraag.

§3.3 LITERATUURLIJST

Maak een (alfabetische) lijst van alle bronnen die je tijdens het onderzoek geraadpleegd hebt. 
Bij elke bron moet een korte beschrijving staan waarom deze bron nuttig was voor je onderzoek. Dit hoofdstuk zal tijdens de opdracht steeds groter worden. Je noteert immers iedere geraadpleegde bron. Een bron kan ook een afbeelding, een video of een persoon zijn. 
De literatuurlijst ziet er als volgt uit: 

Titel bron: noteer hier de naam van de bron
URL/ISBN: noteer hier de URL naar de bron of de ISBN code van de bron
Schrijf hier in maximaal twee zinnen wat het nut is van deze bron en welke informatie je hier gevonden hebt.

 


HOOFDSTUK 4: Werkmethoden
[nieuw hoofdstuk; zelfde als N2]

Tijdens het schrijven van het Plan van Aanpak hebben jullie de 5 w's omschreven. Hierbij hebben jullie ook de werkwijze, of beter gezegd de geplande werkwijze beschreven. Jullie gaan in dit hoofdstuk meer uitgebreid dan in het Plan van Aanpak in op hoe jullie de opdrachten hebben uitgevoerd.
Per deelopdracht leggen jullie uit op de wijze welke gegevens verzameld zijn of hoe jullie een product gemaakt hebben. Wanneer je tijdens het maken van een product foto's hebt gemaakt om de voortgang weer te geven kun je die hier mooi neerzetten. Dit hoofdstuk is volledig in voltooid verleden tijd geschreven. 

Let goed op dat je in dit hoofdstuk nog geen resultaten geeft! Ook dit hoofdstuk deel je op in paragrafen.

§4.1 Deelopdracht 1

Omschrijf wat je allemaal gedaan hebt om deelopdracht 1 uit te voeren. Geef eventueel bewijzen af met behulp van foto's.

§4.2 Deelopdracht 2

Omschrijf wat je allemaal gedaan hebt om deelopdracht 2 uit te voeren. Geef eventueel bewijzen af met behulp van foto's.

§4.3 Deelopdracht enz

Omschrijf wat je allemaal gedaan hebt om deelopdracht enz uit te voeren. Geef eventueel bewijzen af met behulp van foto's


HOOFDSTUK 5: RESULTATEN EN CONCLUSIES
[nieuw hoofdstuk; zelfde als N2]

Per onderzoeksvraag (of deelopdracht natuurlijk) bespreken jullie de resultaten en conclusies. Bij de resultaten geven jullie alleen de belangrijkste gegevens. Het is bijvoorbeeld niet nodig om hier ieder getal van bijvoorbeeld een enquête neer te zetten. Een samenvatting of gemiddelden van deze gegevens zijn voldoende. Als je een mindmap hebt gemaakt plaats je deze ook hier. Een prototype of ander groot product kun je invoegen door middel van foto's en een korte omschrijving.

Waarom staat er de ene keer deelopdracht en de andere keer onderzoeksvraag?
Dit komt doordat dit voorschrift te gebruiken is voor zowel een onderzoek- als een ontwerpopdracht. Wanneer je dit voorschrift gebruikt om verslag te leggen over een onderzoek, spreek je van deelvragen en wanneer je een ontwerpopdracht hebt spreek je van deelopdrachten.

§5.1 Deelopdracht 1

Laat de resultaten van deelopdracht 1 zien. Leg aan het einde van de paragraaf uit hoe de uitkomsten van deze deelopdracht jullie eindproduct beinvloed heeft. Hiermee bedoelen we dat je echt heel duidelijk aan moet geven welk gedeelte van het eindproduct er anders uit had gezien als je deze deelopdracht niet gedaan had.

§5.2 Deelopdracht 2

Laat de resultaten van deelopdracht 2 zien.Leg aan het einde van de paragraaf uit hoe de uitkomsten van deze deelopdracht jullie eindproduct beinvloed heeft. Hiermee bedoelen we dat je echt heel duidelijk aan moet geven welk gedeelte van het eindproduct er anders uit had gezien als je deze deelopdracht niet gedaan had.

§5.3 Deelopdracht enz

Laat de resultaten van deelopdracht enz zien. Leg aan het einde van de paragraaf uit hoe de uitkomsten van deze deelopdracht jullie eindproduct beinvloed heeft. Hiermee bedoelen we dat je echt heel duidelijk aan moet geven welk gedeelte van het eindproduct er anders uit had gezien als je deze deelopdracht niet gedaan had.

In sommige gevallen is het noodzakelijk om een eindconclusie te formuleren.


HOOFDSTUK 6: EVALUATIE en discussie
[nieuw hoofdstuk]

Je kijkt wat er goed ging en wat er beter had gekund bij de uitvoering van deze opdracht. Ook kun je aangeven welke adviezen jullie, voor het uitvoeren van deze opdracht, graag gehad zouden willen hebben. Bespreek ook hoe de samenwerking in de groep is geweest. Geef daarvoor ieder groepslid twee tops (complimenten) en twee tips (verbeterpunten). Bij de start van het volgende project kun je hier rekening mee houden. Bespreek dit hoofdstuk als volgt:

§6.1 Evaluatie

  • Dit vonden wij goed gaan:
  • Dit kon in het algemeen beter:
  • De samenwerking in de groep ging over het algemeen:
  • Tips en Tops van Theo:
  • Tips en Tops van Luuk:
  • Bespreek wat jullie hadden willen weten aan het begin van de opdracht.
  • Geef aan wat er niet duidelijk was aan de opdracht.
  • Welk advies zouden jullie een groep geven die dezelfde opdracht uit zou voeren?
  • .........

§6.2 discussie

  • Bespreek welke resultaten niet naar wens zijn.
  • bespreek welke resultaten geen goed beeld geven over een groep (als je bijvoorbeeld een enquete gehouden hebt onder 50 respondenten, zegt dit iets over alle Nederlanders?)
  • Bespreek wat er aan jullie uitkomst nog bijgeschaafd moet worden.

 

HOOFDSTUK 7: LOGBOEK
[nieuw hoofdstuk; zelfde als N2]

Als het goed is heb je een logboek gemaakt, dit stond immers bij de planning in het PVA. Zet hier het logboek waarin per groepslid duidelijk wordt wat hij/zij heeft gedaan en hoeveel tijd hij/zij daarmee bezig is geweest. Zorg dat duidelijk wordt wie er ook buiten de lessen aan het project gewerkt heeft.

Als je geen gebruik hebt gemaakt van de logboek builder van SCIENCE-WEB zul je een tabel moeten maken.
Maak een tabel, waarin je per les aangeeft, aan welke opdracht is gewerkt, door wie eraan is gewerkt, hoe lang eraan is gewerkt.
Wanneer een (deel)opdracht is afgerond, noteer je ook wie het gecontroleerd heeft. Zorg ervoor dat aan het eidne van het logboek een totaaloverzicht te vinden is waarin per teamlid duidelijk wordt hoeveel tijd hij geïnvesteerd heeft in het project.


HOOFDSTUK 8: BIJLAGEN
[nieuw hoofdstuk; zelfde als N2]

Tot slot is er een hoofdstuk genaamd "bijlagen". Hierin stop je alle controleformulieren en eventuele andere losse bladen die belangrijk zijn voor je verslag. De volgende dingen kun je bijvoorbeeld in de bijlagen stoppen:

  • Brainstormsessies
  • Lijst van de destructieve sessie
  • Lijst van de ik kan het niet sessie
  • Schetsen
  • Technische tekeningen
  • Het analyseblad van je enqueteresultaten
  • Verhelderende fotos
  • De presentatie

Wanneer dit hoofdstuk gevuld is, is je eindverslag klaar.


NOG EVEN DIT........ AFBEELDINGEN

Natuurlijk is het gebruik van afbeeldingen erg leuk. Je kunt, waar je wilt, afbeeldingen invoegen. Let er wel op dat je niet te veel afbeeldingen gebruikt en dat je alleen afbeeldingen gebruikt die iets toevoegen aan je verslag. Zet in een bijschrift wat er in de afbeelding te zien is. Wanneer je grafieken of tabellen gebruikt en je verwijst er naar in de tekst is het raadzaam om met een afbeeldingsnummering te werken.

Maar hoeveel afbeeldingen moet en kan je gebruiken? Houd als regel aan dat je per twee bladzijden maximaal één afbeelding gebruikt als illustratie. Met een illustratie wordt bedoelf dat de afbeelding geen echt nut heeft maar dat hij de tekst breekt of de boel opfleurt. Wanneer je nuttige afbeeldingen hebt, zoals foto's van je maquette dan is er geen maximum aantal afbeeldingen.


NOG EVEN DIT........ HOE VERMELD JE BRONNEN?

De uitgebreidere bronvermelding binnen verslagen is pas een vereiste in klas 5 en 6. Het is natuurlijk slim om dit zo snel mogelijk te leren!

Verwijzen naar bronnen doe je op twee plaatsen in het document:

  1. In de tekst, direct na de tekst die je overgenomen hebt en
  2. aan het eind van het document in een literatuurlijst.

Er zijn verschillende (wetenschappelijke) systemen om te citeren. In het onderwijs worden de regels van de APA het meest gebruikt (American Psychological Association; zie http://apastyle.apa.org). Hieronder worden enkele regels daarvan uitgelegd. Het is de bedoeling dat je de onderstaande manier van verwijzen ook toepast in jouw verslag.

CITEREN IN DE TEKST.

Kortere citaten (één of twee zinnen) zet je tussen dubbele aanhalingstekens en neem je op in de tekst. Langere citaten maak je los van de overige tekst met witregels. Bovendien laat je zo’n citaat inspringen. In beide gevallen vermeld je van de bijbehorende bron de achternaam (of -namen) van de auteur(s), het publicatiejaar en de paginanummers tussen haakjes. Wanneer de bron van het internet afkomt volstaat een websitenaam en een URL.

Voorbeelden:

“Communicatie is geen doel op zichzelf” (Ponte, 2002, p. 63)

“De overgang van traditionele naar ‘slanke’ of socio-technische productieconcepten is ook een overgang van meer gesloten naar meer open varianten.” (Onstenk, 1997, pp. 60-61)

“Per deelopdracht maak je een opmerkingenformulier waarop een registratie bijgehouden kan worden van de besteedde tijd. Een formulier beslaat 1 pagina A4 die je achter in het voorstelverslag stopt.” (Science-web | Solidedge; http://www.science-web.nl/solidedge/index.php/verslagen-schrijven/het-voorstelverslag).

Parafraseren in de tekst

Parafraseren is het op eigen wijze weergeven van de ideeën van anderen. Dit doe je als volgt:

 

  • In het geval van een bron met één auteur: achternaam met publicatiejaar vermelden.

 

Bijvoorbeeld: Volgens Ponte (2002)….

Of: Dit betekent in veel gevallen dat … (Ponte, 2002).

 

  • In het geval van een bron met meerdere auteurs:

 

Bijvoorbeeld: Volgens Nauta en Giesing (2006) …

Of: Dit betekent in veel gevallen dat …(Nauta & Giesing, 2006)

 

  • In het geval van een indirecte bron: je verneemt van de ideeën van Paulissen via een artikel van Janssen, noteer je dat als volgt:

 

Paulissen veronderstelt dat …(1989, in Janssen, 1990).

Verwijs niet te vaak naar indirecte bronnen; probeer zo veel mogelijk de oorspronkelijke bron te achterhalen.

 Literatuurlijst (URL/ISBN)

Vermeld elke bron waarnaar je in de tekst verwijst ook in de (alfabetische) literatuurlijst achteraan in je verslag. De daar vermelde referenties beginnen altijd met de achternamen en voorletters van de auteurs, tussen haakjes gevolgd door het publicatiejaar en de titel van de publicatie (boek, artikel, webpagina, enz.). Wat daarna nog vermeld wordt hangt af van het type bron:

 

  • boek: vermeld de plaats van uitgave en de naam van de uitgever. Vermeld de titel van het boek cursief;
  • artikel in een tijdschrift: vermeld de naam van het tijdschrift cursief, gevolgd door het nummer (ook cursief) en de pagina’s die het artikel beslaat;
  • webpagina: vermeld de URL (het webadres) en de datum waarop je de pagina geraadpleegd hebt.

 

N.B. Bronnen die gebruikt zijn dienen niet in de literatuurlijst voor te komen.

Voorbeelden:

Boeken:

 

  • Ponte, P. (2002). Onderwijs van eigen makelij: Procesboek actieonderzoek in scholen en opleidingen. Soest: Nelissen.
  • Onstenk, J. (1997) Lerend leren werken: Brede vakbekwaamheid en de integratie van leren, werken en innoveren. Delft: Uitgeverij Eburon.
  • Warries, E. & Pieter, J.M. (1992). Inleiding instructietheorie. Amsterdam: Swets & Zeitlinger. 

 

Artikelen:

 

  • Van Aalsvoort, J. (2000). Wat er niet inzit, kan er ook niet uit komen: Waarom problemen in het scheikunde-onderwijs niet opgelost worden. NVOX, 4, 185-190.
  • Schommer, M. (1998). The influence of age and schooling on epistemological beliefs. The British Journal of Educational Psychology, 68, 551-562.

 

Webpagina’s:

 

  • http://nieuwescheikunde.nl/mediatheek/00013/eenhoorndocument.pdf; gelezen: December 14, 2006

 

TOT SLOT

Als er geen auteursnaam te achterhalen is, vervang deze in de regels hierboven dan door de titel van de bron tussen dubbele aanhalingstekens (zowel in de tekst als in de literatuurlijst). Als er geen publicatiejaar te achterhalen is, vermeld dan i.p.v. dat jaartal de afkorting ‘n.d.’ (‘no date’).

 

Auteurs: J.E. van Elferen & L. Janssen
Datum: 27-10-2014
Laatste aanpassing: 17-07-2016